(door Bas Wilberink)
ZWARTEWATERSKLOOSTER - Een uit de 13e eeuw stammende kruisridderbegraafplaats met ‘zware pauselijke bescherming’, zo’n 800 meter noordwestelijk van waar vroeger het Zwartewatersklooster stond. Als de vermoedens van Paul Rademaker waar zijn, is dat wat zich bevindt onder de grond van het Zwartewaterlandse buurtschap. “Zwartewatersklooster was een heiligdom in die tijd.” Binnenkort hoopt hij uitsluitsel te krijgen uit bodemonderzoek op deze locatie.
Ga met de Hasselter amateurhistoricus in gesprek en hij lepelt enthousiast de complete geschiedenis, inclusief interessante zijwegen, op van de Slag bij Ane. Het leger van de Bisschop van Utrecht, Otto van Lippe, kreeg daar in 1227 een flink pak slaag van de Drenten, die weigerden belasting te betalen. Zo’n vierhonderd ridders en Van Lippe zelf vonden er hun einde. Een deel van hen werd vervolgens naar Zwartewatersklooster verscheept en begraven. Sterker nog, het klooster zou daar om die reden gebouwd zijn van 1230 tot 1233. “Om het zielenheil van de omgekomen ridders veilig te stellen”, verduidelijkt Rademaker, die momenteel met Wim Visscher een boek schrijft over de Slag bij Ane. Samen met gesneuvelden uit latere slagen gaat het in totaal om 149 ridders.
Stokoud familieverhaal
De krijgslieden vonden echter niet hun eeuwige rust op het bekende kerkhof naast het klooster, zo denkt de 78-jarige Rademaker. Hij werd door wijlen Albert ten Klooster, bewoner van één van de boerderijen in Zwartewatersklooster, op een opmerkelijk spoor gezet. “Hij had een verhaal gehoord van zijn grootvader die het weer van zijn grootvader had en die weer van zijn grootvader”, vertelt Rademaker. “Een stokoud familieverhaal dus. De ridders die zijn omgekomen, liggen 800 meter noordwestelijk van het klooster, op een afgeschermde begraafplaats. Ik vond dat een ongelooflijk verhaal, waar ik eerst geen bal van geloofde.”
Rademaker ging op verder onderzoek uit en haalde bij het Historisch Centrum Overijssel oorkondes boven water die eveneens repten over begraven ridders bij het Zwartewatersklooster. Ook belde een cartograaf, die bij een lezing van Rademaker over dit onderwerp aanwezig was geweest, over een kroniek met daarin alle namen van begraven ridders bij het Zwartewatersklooster. “Ik dacht: hoe is het mogelijk, daar heb ik van gedroomd”, kijkt Rademaker terug. “Het is zeldzaam dat je de beschikking krijgt over zo’n bron uit de vijftiende eeuw.”
Naarmate zijn onderzoek vorderde, stuitte Rademaker op nog meer opmerkelijkheden. “Op die dodenlijst staan twee gebroeders Van Bentheim. Dat blijken de broers te zijn van graaf Boudewijn van Bentheim. Hij heeft de slag overleefd, in tegenstelling tot wat bijvoorbeeld het museum in Coevorden beweert. Boudewijn was ook burchtheer van Utrecht en was daarmee de eerste man na bisschop Otto van Lippe. Het is logisch dat Boudewijn van Bentheim de leiding overnam nadat Otto was gesneuveld. Hij was dan ook verantwoordelijk voor het transport van de lichamen naar Zwartewatersklooster. Logischerwijs gezien dan, ik heb geen bewijs.”
Iets wat Rademaker ook niet met zekerheid kan zeggen, is dat de gesneuvelden met zogeheten zompen (schepen) zijn vervoerd naar hun laatste rustplaats. “In een andere kroniek, uit 1233, is te lezen dat talloze kleine schepen het leger van de bisschop volgden”, legt Rademaker uit. “Dan denk ik aan een soort zompachtige boot, een platbodem met een redelijk hoog laadvermogen, veel kleiner dan een kogge. Ze waren beladen met oorlogstuig.”
Vanuit Ommen verplaatste het leger zich naar Ane. “De volgende ochtend, toen de zon was opgekomen, trokken ze onbekommerd op. Maar ze waren nauwelijks onderweg of ze liepen in een hinderlaag van de Drenten. Ze waren het moeras ingelokt.”
Die ‘talloze schepen’ werden direct in beslag genomen door de overwinnaars. “Er kan eigenlijk maar één conclusie zijn: die schuitjes zijn gebruikt om de lichamen af te voeren”, stelt Rademaker. “Ik denk dat de Drenten het leger daar voor in de gelegenheid hebben gesteld. Dat was in de Middeleeuwen gebruikelijk. De eerste zanddrempel in de Overijsselse Vecht, met verlengstuk het Zwarte Water, lag bij Hasselt. Ze konden daar nooit voorbij komen met hun grote koggen.”
Ter hoogte van Zwartewatersklooster was een diepe plek in het water. Rademaker: “Ik ga er van uit dat alles van de koggen is overgeladen op die kleine talloze schepen. Het was een veilig punt met breed water. Dat kon vrij ongezien gebeuren.”
Dan blijft nog de vraag open waarom het een afgeschermde begraafplaats betrof. “Ik kwam er achter dat er allemaal edelen liggen”, legt Rademaker uit. “Die kerels werden geëerd als kruisridders. Met andere woorden: wij hebben hier met een kruisridderbegraafplaats te maken, een militaire begraafplaats. Het was toen van West-Europees belang. De ridders kwamen uit het gebied vanaf Keulen, Hamburg tot het hele gebied dat daar boven ligt naar de Noordzeekust.”
Pauselijke bul
Daarnaast vonden Rademaker en Visscher een pauselijke bul uit 1245, die speciale bescherming gaf aan Zwartewatersklooster. “Met zeven kardinalen als getuigen. Dat was een ongehoord zware pauselijke bescherming. In die periode was het een heiligdom. Maar of de ridders daar echt begraven liggen, moeten we nog even afwachten.”
En stel, ze liggen daar niet? “Dan pech gehad. Je moet niet met oogkleppen oplopen. De achtergrond met de plaatsbepaling valt dan weg. Is dat een ramp? Dacht het niet. Ons verhaal is historisch verantwoord. Maar als ze daar niet liggen, waar dan wel? Ik heb ook nog een andere locatie in gedachten.”

